“Wie weet wat deze patiënt wil als hij morgen in een ander ziekenhuis terechtkomt?”
Een patiënt krijgt zorg in meerdere ziekenhuizen, maar weet niet wie zijn centrale zorgverlener is. Ook voor de betrokken zorgverleners is niet duidelijk wie met hem spreekt over zijn wensen en een eventuele verdere behandeling. Tijdens de Connectathon in juli 2026 spraken we met Marleen Oomes, verpleegkundig specialist Palliatieve Zorg bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), over wat er gebeurt als informatie over proactieve zorgplanning niet beschikbaar is voor alle betrokken zorgverleners.
Bekijk het video interview van Marleen.
Wie voert het gesprek met de patiënt?
Marleen vertelt over een man met een uitgezaaide ziekte die in vier verschillende ziekenhuizen wordt behandeld. Voor hem is niet duidelijk wie zijn centrale zorgverlener is. En ook de zorgverleners weten niet goed van elkaar wie het gesprek voert over zijn wensen en mogelijkheden.
“Wie gaat dat gesprek dan aan? Iedereen wacht een soort van op elkaar”, vertelt Marleen. Terwijl juist dat gesprek nodig is om te weten wat deze patiënt belangrijk vindt en welke zorg daarbij past.
Informatie die nog onderweg is
De samenwerking wordt extra lastig doordat de ziekenhuizen elkaars informatie niet eenvoudig kunnen lezen. Brieven tussen de ziekenhuizen gaan per post. Als Marleen op vrijdag een brief verstuurt en de patiënt op zaterdag in een ander ziekenhuis terechtkomt, is die informatie daar mogelijk nog niet aangekomen.
“Dat is heel verdrietig”, zegt Marleen. De zorgverleners in het andere ziekenhuis weten dan niet wat er kort daarvoor met de patiënt is besproken. Terwijl die informatie van belang kan zijn voor de zorg die hij op dat moment krijgt.
Voortbouwen op wat al besproken is
Proactieve zorgplanning bestaat volgens Marleen niet uit één gesprek. Wensen, behandelopties en grenzen komen vaak op verschillende momenten ter sprake. Een zorgverlener hoeft daarom niet te wachten tot alles is besproken om de eerste onderdelen vast te leggen.
Marleen hoopt dat andere zorgverleners kunnen zien wat zij al met een patiënt heeft besproken. “Als ik een beginnetje heb gemaakt, kan een ander de handschoen oppakken.” Zo kan een collega het gesprek voortzetten en komt er stap voor stap meer duidelijkheid over wat de patiënt wil.
Van elkaar weten wat belangrijk is
Het praktijkvoorbeeld van Marleen laat zien waarom het delen van PZP-gegevens zo belangrijk is. Wanneer betrokken zorgverleners toegang hebben tot de informatie die al is vastgelegd, weten zij beter wat er speelt en kunnen zij hun gesprekken en beslissingen daarop laten aansluiten.
Uiteindelijk gaat het Marleen om iets heel concreets: dat zorgverleners van elkaar weten wat met de patiënt is besproken, zodat zij samen verder kunnen werken aan zorg die past bij zijn wensen.